Werk en zekerheid: visie of versobering?
Het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA markeert een nieuwe fase in het Nederlandse stelsel van werk en sociale zekerheid. In totaal wordt ongeveer zes miljard euro bezuinigd. De maximale WW-duur gaat van twee naar één jaar, het ruimere regime voor duurzaam volledig arbeidsongeschikten verdwijnt, de compensatieregeling voor de transitievergoeding na twee jaar ziekte wordt afgeschaft en de AOW-leeftijd zal weer sneller meestijgen met de levensverwachting.
Daarbij past wel een belangrijke kanttekening: een coalitieakkoord is een politiek voornemen, geen vastgestelde wetgeving. De voorstellen moeten nog worden uitgewerkt en door het parlement worden behandeld. Gezien de maatschappelijke impact ligt stevige oppositie voor de hand en is het allerminst zeker dat alle plannen ongewijzigd zullen worden ingevoerd.
Toch geven de aangekondigde maatregelen richting aan het debat. Zij roepen een fundamentele vraag op: wordt hier een samenhangende visie op werk en zekerheid ontwikkeld, of staat de besparing centraal?
Een lange beweging richting beperking
Om de huidige voorstellen te begrijpen, is het nodig terug te kijken naar de ontwikkeling van het sociale zekerheidsstelsel sinds de jaren negentig.
In de jaren tachtig en negentig groeide de instroom in de WAO sterk. Arbeidsongeschiktheid werd niet alleen medisch, maar ook sociaal-economisch gebruikt als opvangmechanisme. De politieke reactie was fundamenteel: het stelsel moest strenger, activerender en financieel beheersbaar worden.
Vanaf dat moment voltrok zich een structurele koerswijziging:
- Arbeidsongeschiktheid werd hergedefinieerd als verlies aan verdiencapaciteit in plaats van medische ongeschiktheid.
- Met de Wet verbetering poortwachter (2002) werd langdurig verzuim primair een verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer.
- De invoering van de WIA (2005/2006) maakte het onderscheid tussen gedeeltelijk en duurzaam volledig arbeidsongeschikt scherper en selectiever.
- De WW-duur, die in 2002 nog maximaal zeven jaar bedroeg, werd in stappen teruggebracht naar twee jaar.
- De Participatiewet (2015) verlegde de nadruk naar activering en eigen verantwoordelijkheid, met vermogenstoets en strikte verplichtingen.
Sinds het begin van deze eeuw is daarmee een consistente trend zichtbaar: uitkeringen worden korter, voorwaarden strenger en toegang selectiever. Tegelijkertijd werd activering het dominante beleidsparadigma.
De WW: activering of versnelling?
De verkorting van de WW naar één jaar moet naar verwachting ongeveer 1,3 miljard euro per jaar opleveren. Het kabinet beroept zich op activering: wie minder lang recht heeft op een uitkering, zoekt sneller werk.
Onderzoek naar eerdere verkortingen laat zien dat de duur van werkloosheid inderdaad afneemt wanneer het recht wordt ingekort. Werkzoekenden reageren op de prikkel. Tegelijkertijd zijn de effecten beperkt en sterk afhankelijk van de economische situatie. De kwaliteit van werkhervatting verbetert nauwelijks op korte termijn.
Arbeidsmarktdeskundigen, waaronder Ton Wilthagen, wijzen erop dat eerdere adviezen zoals die van de commissie-Borstlap juist pleitten voor investeringen in scholing, preventie en werk-naar-werk-begeleiding. Zonder die ondersteunende infrastructuur kan verkorting ertoe leiden dat mensen sneller uit de verzekering vallen en in de bijstand terechtkomen, met lagere inkomenszekerheid en een vermogenstoets.
WIA en het verdwijnen van de IVA
Ook binnen de arbeidsongeschiktheidsregeling worden forse ingrepen gedaan. Het ruimere regime voor duurzaam volledig arbeidsongeschikten — de IVA — wordt afgeschaft voor nieuwe gevallen. De verwachte besparing bedraagt circa één miljard euro per jaar.
Als motief wordt gewezen op uitvoerbaarheid: lange wachttijden bij het UWV, een tekort aan verzekeringsartsen en een ingewikkeld stelsel. Dat zijn reële problemen. Tegelijkertijd raakt deze maatregel aan de vraag hoeveel stabiliteit iemand mag verwachten wanneer herstel medisch gezien weinig waarschijnlijk is. Vereenvoudiging kan legitiem zijn, maar wanneer zij samenvalt met een aanzienlijke besparing, ontstaat de indruk dat financiële overwegingen zwaar meewegen.
Transitievergoeding: terug naar individuele verantwoordelijkheid
Ook de hervorming van de transitievergoeding raakt direct aan de balans tussen werk en zekerheid. De vergoeding wordt gekoppeld aan Leven Lang Ontwikkelen. Werkgevers die zich “maximaal” inzetten voor re-integratie kunnen lagere verplichtingen krijgen. Opvallend is hier het verschil met de huidige norm. De RIV-toets beoordeelt of inspanningen voldoende zijn; het akkoord spreekt over maximale inzet. Dat duidt op een verzwaring van de norm.
Daarnaast wordt de compensatie voor de transitievergoeding na twee jaar ziekte afgeschaft. Dit betreft een substantiële financiële maatregel. In de eerste acht maanden van 2025 werd volgens UWV € 425,9 miljoen aan compensatie uitbetaald, vrijwel volledig gefinancierd uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Omgerekend gaat het om circa € 600 miljoen per jaar.
Het schrappen van de regeling levert dus een substantiële structurele besparing op.
AOW: houdbaarheid en ongelijkheid
De keuze om de AOW-leeftijd weer sneller te laten meestijgen met de levensverwachting verbetert de houdbaarheid van het stelsel.
Maar de maatschappelijke gevolgen zijn ongelijk verdeeld. Mensen in zware beroepen bereiken de hogere pensioenleeftijd minder vaak in goede gezondheid dan hogeropgeleiden.
Slot
De hervormingen in het coalitieakkoord passen in een lange traditie van aanscherping binnen het socialezekerheidsstelsel. Houdbaarheid is een legitiem doel in een vergrijzende samenleving. Maar wanneer vrijwel alle grote wijzigingen tegelijkertijd substantiële financiële opbrengsten genereren, wordt het moeilijk om de indruk te vermijden dat de besparing een dominante rol speelt.
De vraag die boven dit akkoord blijft hangen is daarom niet alleen hoe werk en zekerheid in balans worden gebracht, maar ook welke keuze uiteindelijk leidend is: een samenhangende visie op de toekomst van werk of de noodzaak om miljarden te vinden.
Door Eline van Belleghem